Site Loader

Hofmeubilair Tussen 1982 en 2009 kocht de overheid alle meubels uit vier koninklijke paleizen. NRC onderzocht de geheimgehouden miljoenentransacties waarvan de Oranjes tot op de dag van vandaag profiteren.

Door Merijn Rengers enArjen Ribbens 8 september 2019

De hofhouding moet zakelijker en moderner, beseft kroonprinses Beatrix in de tweede helft van de jaren zeventig, als de troonswisseling dichterbij komt. Haar moeder, koningin Juliana, heeft een legendarische desinteresse voor organisatorische en protocollaire aangelegenheden aan de dag gelegd en zich omringd met graven en baronnen, toegewijde maar vaak ook amateuristische adviseurs.
En dus haalt Beatrix in oktober 1975 mr. Carel van Schelle – haar voormalige secretaris – terug uit Brussel, waar hij ambassadeur is. Zij benoemt hem tot ‘grootofficier in speciale dienst’. Zijn opdracht: de hofhouding moderniseren.

Een van zijn eerste klussen is de verbouwing en herinrichting van de paleizen Noordeinde en Huis ten Bosch, Beatrix’ toekomstige woonverblijf. Van Schelle vervangt daarvoor grootmeester Jacob baron van Lynden, Juliana’s hoofd van de hofhouding.
Hij valt gelijk op bij de ambtenaren die met hem moeten onderhandelen. Van Schelle is „een sterke tegenspeler”, waarschuwt topambtenaar Johan van der Poel op 18 oktober 1977 in een vertrouwelijke notitie zijn baas op het ministerie van Financiën.
Van Schelle is zakelijker en verdedigt de belangen van de Oranjes veel harder dan zijn voorganger. Mede dankzij zijn inspanningen zal de overheid jaren later overgaan tot de aankoop van de inventarissen van vier paleizen. Geheime miljoenentransacties, die NRC onder meer dankzij een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft achterhaald.

NRC publiceert deze maandag en dinsdag twee artikelen over de aankoop van de paleisinboedels – overeenkomsten die de Oranjes tot op de dag van vandaag financieel voordeel opleveren. Op basis van (tot voor kort) geheime, ambtelijke stukken en gesprekken met betrokkenen, zijn de achterliggende discussies over de koninklijke financiën gereconstrueerd. Daaruit blijkt dat het hof vrijwel altijd aan het langste eind trekt.
In dit eerste artikel staan de financiële afspraken tussen staat en hof over de inventarissen van de paleizen centraal. Die zijn vastgelegd aan het eind van Juliana’s koningschap, als kroonprinses Beatrix zich begint te manifesteren. Dinsdag wordt ingegaan op hoe het Rijk de paleisinventarissen liet taxeren en wat er na de aankoop met de duizenden meubels en gebruiksvoorwerpen gebeurde.
Werkpaleizen
De aankoop van de paleisinventarissen hangt samen met de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH), van kracht sinds 1973. Doel van de wet is de financiële verhoudingen tussen koning en staat te formaliseren en toekomstbestendig te maken. Onderdeel daarvan: de werkplek van de koning. Daarvoor stelt de overheid het staatshoofd voortaan drie ‘werkpaleizen’ ter beschikking: Noordeinde en Huis ten Bosch in Den Haag en het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Het is een uitkering in natura.
De Wet financieel statuut is moeizaam tot stand gekomen. Begin jaren zestig klagen koningin Juliana en prins-gemaal Bernhard over hun inkomen. Juliana’s staatstoelage is in de jaren daarvoor weliswaar enkele malen verhoogd, maar de vorstin zegt nog steeds in te teren op haar vermogen. En er dreigt nog een strop, weten ambtenaren. De arbeidsvoorwaarden van het hofpersoneel zijn negentiende-eeuws en moeten hoognodig gemoderniseerd worden, op kosten van Juliana.

Om discussies met de Oranjes voor te zijn, grijpt het kabinet van premier Jo Cals (1965-1966) in. Cals stelt in de zomer van 1966 voor om het inkomen van Juliana meer dan te verdubbelen: van 2,5 naar 5,2 miljoen gulden. Geen sinecure, want het koninklijke inkomen is verankerd in de Grondwet: voor een verhoging is een tweederde meerderheid in het parlement noodzakelijk.
Het voorstel valt slecht. Het zijn economisch slechte tijden en in Amerikaanse media verschijnen net verhalen dat Juliana „de rijkste vrouw op aarde” is. De dan nog machtige PvdA-fractie, onontbeerlijk voor de benodigde tweederde meerderheid, wil geen steun verlenen.
Het wetsvoorstel wordt ingetrokken en het volgende kabinet, dat van premier en KVP’er Piet de Jong (1967-1971), besluit dat het tijd is voor politiek minder gevoelige financiële afspraken met het hof. Die worden een paar jaar later vastgelegd in de Wet financieel statuut. De hoogte van de koninklijke toelagen is uit de Grondwet gehaald. Voortaan kan de regering – met instemming van het parlement – de hoogte van het koninklijke inkomen bepalen. De toelagen worden bovendien waardevast, want gekoppeld aan de loon- en prijsontwikkelingen. Effectieve maatregelen, zal in de jaren daarna blijken, om één van de doelstellingen van het statuut te realiseren: het voorkomen van maatschappelijke en politieke discussies over de kosten van het Koninklijk Huis.
De moeizame ontstaansgeschiedenis van de wet is beschreven in de eind 2017 verschenen studie Het inkomen van de koning. De voorheen geheime ambtelijke stukken die aan de studie ten grondslag liggen, zijn sinds september 2018 openbaar toegankelijk bij het Nationaal Archief in Den Haag.

De mappen vol notities, notulen en correspondenties bieden een uniek inzicht in hoe de verhoudingen tussen hof en politiek in de jaren zeventig worden herschreven. Saillant onderdeel daarvan is een overeenkomst die tot op heden „minder zichtbaar” is geweest, zoals de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) het eufemistisch formuleert. Het gaat om de aankoop door de staat van de meubels van de ‘werkpaleizen’ Huis ten Bosch en Noordeinde, waarover begin jaren zeventig afspraken zijn gemaakt met het hof.
Uit onderzoek door NRC blijkt dat die toezegging pas vijftien jaar na de invoering van de Wet financieel statuut is gerealiseerd. Bovendien is de afspraak uitgebreid naar de aankoop van de inventarissen van Het Loo (in 1987) en Soestdijk (in 2009). Deze vier transacties, hoewel kostbaar en historisch belangrijk, zijn stil gehouden. Een verklaring daarvoor wil de RVD desgevraagd niet geven.
Sinds de aankoop zijn de inventarissen van Huis ten Bosch en Noordeinde ‘paleisgebonden’ – de meubels mogen het paleis niet uit zonder toestemming van de staat, aldus het bruikleencontract. Daarin staat ook dat de Oranjes de meubels gratis mogen gebruiken en dat de overheid voortaan de kosten van „onderhoud, herstelwerkzaamheden of andere bewerkingen” aan de meubels voor zijn rekening neemt.
Dries van Agt

Premier Dries van Agt zet de staatsaankopen in januari 1978 in gang. Hij stelt een vier pagina’s tellende nota op voor de ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Het hof is de voorgaande jaren herhaaldelijk beloofd dat de staat de inventarissen van de werkpaleizen overneemt, schrijft Van Agt. Het is hoog tijd dat deze toezegging wordt nagekomen, zeker nu Noordeinde en Huis ten Bosch worden verbouwd met op het oog op de naderende troonswisseling – aldus de premier.
Aan de nota is drukke correspondentie tussen een vijftal topambtenaren, ministers en het hof voorafgegaan, over de implicaties van de nieuwe financiële afspraken. Onderhoudende lectuur – de betrokken partijen zijn duidelijk grenzen aan het verkennen. Zo schrijft Johan van der Poel, topambtenaar op Financiën, eind jaren zeventig aan zijn ambtelijke baas dat er onder betrokken ambtenaren „een zekere ongerustheid” leeft dat het koninklijk huis voor het onderhoud van de paleisinventarissen kosten declareert die het eigenlijk zelf zou moeten betalen uit de vaste staatstoelagen.
Van der Poel is kritisch over de nieuwe koninklijke adviseurs zoals Van Schelle. Snappen zij wel, schrijft hij op 18 oktober 1977 aan secretaris-generaal Huijsmans, „dat het Koninklijk Huis beschermd moet worden tegen activiteiten of beleid die in de publiciteit slecht zal vallen, met name ook het claimen van allerlei extra’s op financieel gebied?”
De topambtenaren stellen zich vaker ferm op, maar worden gecorrigeerd door de verantwoordelijke ministers. Die buigen als er tegenwind komt van het hof.

Huis ten Bosch

Ook de inrichting van Huis ten Bosch is onderwerp van discussie. Volgens de ambtenaren zou Beatrix aanvankelijk de gehele inrichtingskosten van haar toekomstige residentie betalen, en de overheid die van Noordeinde. Deze „praktische” verdeling keert in latere overheidsstukken niet meer terug – Van Schelle heeft haar vermoedelijk direct afgeschoten.
Het volgende voorstel is dat het hof dan alleen de privévertrekken in Huis ten Bosch betaalt. Maar ook daar is Van Schelle op tegen. Want wat is privé voor een koningin? Daar denken de bewindslieden en ambtenaren te licht over, laat de hofvertegenwoordiger weten. De grootofficier legt per brief uit dat het privéleven en de privévertrekken van Hare Majesteit „onafscheidelijk verbonden” zijn met haar „Koninklijke functie”. De inrichtingskosten van de eetkamer, studeerkamers, bibliotheek en de keuken moeten volgens Van Schelle dus ook ten laste van het Rijk te komen, in elk geval gedeeltelijk.

Een vertegenwoordiger van de Rijksgebouwendienst zegt in een overleg „geconfronteerd te zijn met wensen van HKH Beatrix”: dure kastenwanden die de kroonprinses op staatskosten in haar studeerkamer wil. De kosten – 300.000 gulden – passen niet binnen het gestelde verbouwingsbudget en dienen voor rekening van het hof te komen, aldus de ambtenaar. Nee, zegt hofvertegenwoordiger Van Schelle in een strenge brief: de kasten zijn functioneel.
Van Schelle dringt er in dezelfde brief op aan dat het Rijk snel de aannemers betaalt voor de duurder uitgevallen verbouwing van het paleis. De bouw dreigt anders stil te vallen. Om zijn woorden kracht bij te zetten eindigt het nieuwe hoofd van de hofhouding met een Latijns gezegde: ‘Periculum in mora’ – er zit gevaar in uitstel.

Profetische woorden

Ontvanger Ed Kronenberg is niet onder de indruk, blijkt uit een reactie die hij aan collega-ambtenaren stuurt. De „toekomstig bewoner van Huis ten Bosch”, schrijft de ambtenaar, bevindt zich in dezelfde positie als „willekeurig welke andere huurder of gebruiker van een dienstwoning”. Beatrix moet dus niet alleen zelf voor de meubels zorgen, schrijft de ambtenaar, maar ook voor de stoffering en de speciaal gewenste kastenwanden.
In hoeverre de staat heeft meebetaald aan de inrichting van de privévertrekken van koning Willem-Alexander, die in januari het voor 63 miljoen euro gerenoveerde Huis ten Bosch betrok, wil de RVD desgevraagd niet zeggen.
Grootofficier Van Schelle haalt meer punten binnen voor de Oranjes. Topambtenaar Kronenberg schrijft op 6 februari 1978 aan zijn hoogste baas bij Financiën dat de hofvertegenwoordiger bezwaar maakt tegen de nota van premier Van Agt over de aankoop van de paleisinventarissen. Daarin staat dat na de eigendomsoverdracht de vaste uitkeringen aan de koning voor het onderhoud en de vervanging van paleismeubels omlaag moeten. De overheid is voortaan immers verantwoordelijk voor de inventarissen.
Van Schelle was hiermee akkoord, aldus Van Agt. Maar een week later slikt hij dit akkoord weer in, schrijft Kronenberg, en stelt de verlaging van de uitkering aan het staatshoofd ter discussie. Profetische woorden, want de koning heeft zijn kostenvergoeding voor de inventarissen tot op de dag van vandaag behouden, ondanks de overdracht van de meubels.

Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit de jaarlijks gepubliceerde Begroting van de koning (voor 2019 een bedrag van 71,1 miljoen euro). Daarin is sinds de invoering van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis nooit melding gemaakt van een aanpassing. En uit overheidsstukken die in 2016 door een Wob-verzoek openbaar zijn geworden, blijkt dat onderhoud van de paleisinventarissen in 2015 nog altijd deel uitmaakt van de vaste uitkeringen aan de koning.
Uit de ambtelijke stukken uit de jaren zeventig wordt duidelijk waarom het morrelen aan de vaste koninklijke uitkeringen zo’n „precaire zaak” is. Zo schrijft topambtenaar Kronenberg op 16 mei 1979 aan minister van Financiën Frans Andriessen: „Bij het Koninklijk Huis is weerstand te verwachten tegen feitelijke bemoeienis van Kabinet en Staten Generaal met niveau en samenstelling van de functionele uitgaven.”
Het gaat om substantiële bedragen. In 1978 ontvangt Juliana voor onderhoud 145.000 en voor vervanging 135.000 gulden. Deze uitkeringen, waarvoor zij geen bonnetjes hoeft te overleggen, zijn gekoppeld aan de loon- en prijsontwikkelingen. In 2019 zijn de bedragen door inflatiecorrectie gestegen naar een geschatte 320.000 euro. In totaal hebben koningin Beatrix en later koning Willem-Alexander sinds de overdracht van de paleisinventarissen naar schatting 10 miljoen euro (prijspeil 2019) ontvangen voor het onderhoud en de vervanging van de meubels.

Scepsis

De nieuwe financiële afspraken met het hof hebben nog een onverwachte consequentie. Zonder dat de overheid het in de gaten heeft, declareert het hof in de eerste jaren dat de wet van kracht is aanzienlijk meer dan voorheen, constateren ambtenaren van Financiën. In het voorjaar van 1979 beginnen zij met een evaluatie van de zes jaar eerder in werking getreden Wet financieel statuut.
De aanleiding is een ontmoeting tussen twee ambtenaren op een afscheidsreceptie in december 1977. Met een glas in de hand vraagt Dick van Duyne, lid van het kabinet van de minister-president, aan secretaris-generaal van Financiën Bob Huijsmans of hij „enig idee” heeft over de recente ontwikkeling van de kosten van het koningshuis. Huijsmans gokt een bedrag van tussen de 25 en 30 miljoen.
Hij zit er lelijk naast, schrijft Huijsmans in een „strikt vertrouwelijke” notitie aan directe collega Kronenberg: „Volgens dr. Van Duyne was het thans reeds 37 miljoen en zou de 40 miljoen snel gepasseerd worden.”
Het overzicht is zoek omdat het hof sinds 1973 bij vier ministeries kosten mag declareren: Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Verkeer & Waterstaat. Een eerder advies van het ministerie van Financiën om alle kosten van het koninklijk huis onder te brengen op de begroting van Algemene Zaken blijkt door premier De Jong verworpen. Door de uitgaven te verdelen over begrotingen van vier grote ministeries trekken ze volgens de premier veel minder publieke en politieke aandacht.
Op 25 april 1978 ontvangt premier Van Agt een vertrouwelijk ambtelijk rapport over de financiële consequenties van de Wet financieel statuut. Daarin zijn de uitgaven van het koninklijk huis geïnventariseerd. De conclusie: sinds 1970 heeft „een niet onbelangrijke, reële groei van de declarabele uitgaven plaats gehad”. Dat het zo uit de hand is gelopen, staat in de nota, komt door de diffuse declaratiemogelijkheden van het hof en omdat de wenselijkheid van de uitgaven van de Oranjes vooraf noch achteraf wordt getoetst. De ambtenaren constateren dat de hofhouding uit eigen beweging nooit uitleg geeft over de gedeclareerde bedragen.
Het rapport beveelt aan om vóór de ophanden zijnde troonswisseling met Beatrix duidelijke procedure-afspraken te maken en de Centrale Accountantsdienst of de Algemene Rekenkamer te belasten met de controle van de declaraties.

Een van de drie opstellers van het rapport, Kronenberg van Financiën, stuurt zijn minister een paar weken later nog een aanvullende nota. Volgens hem „vlucht” het kabinet voor het dragen van ministeriële verantwoordelijkheid voor de declarabele uitgaven van het hof. Dat brengt volgens hem „ernstige risico’s” met zich mee. Hij is „er niet gerust op, dat de koninklijke familie zich voldoende bewust is van de weerstand die met verhoging van de kosten van het Koninklijk Huis zullen worden opgeroepen, en de nadelige invloed die dat op de reputatie van het Koninklijk Huis en op zijn positie in het Nederlandse bestel kan hebben”.
Premier Van Agt en de ministers Hans Wiegel (Binnenlandse Zaken) en Frans Andriessen (Financiën) vergaderen op 29 mei 1978 over het alarmerende rapport. De bewindslieden zijn duidelijk minder zwaar op de hand, blijkt uit de notulen. Ze delen weliswaar de opvatting van de ambtenaren dat het „politiek onwenselijk” is om de in de wet genoemde uitkeringen „in opwaartse zin bij te stellen”. Maar als de koningin voor de uitoefening van haar functie een beroep moet doen op haar eigen vermogen, zullen de declaratiemogelijkheden worden verruimd. Die boodschap zal Van Agt aan Juliana overbrengen.
Ook voor het door de ambtenaren geconstateerde gebrek aan „ministeriële verantwoordelijkheid” voor de koninklijke declaraties heeft de premier een oplossing. Het overleg hierover wordt losgekoppeld van de politiek. Voortaan zal een kleine, ambtelijke commissie jaarlijks met de hofhouding overleggen over de begroting en de personeelsformatie.
En zo worden de kanttekeningen die topambtenaren in de jaren zeventig plaatsen bij de Wet financieel statuut stuk voor stuk geneutraliseerd. Sindsdien fungeert de wet – ondanks alle door ambtenaren geopperde bezwaren – als een antwoord op alle lastige vragen aan het kabinet over de koninklijke financiën. Premier Rutte roemt de wet in 2017 nog. Die heeft de bekostiging van het koningshuis volgens hem een „solide, meer transparante en publieke basis” verschaft.
Met dank aan Jorg Leijten.

Share with:


Post Author: Wendy Wen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *